Tell a friend 

HET NEDERLANDSE COFFEESHOPBELEID

Het meest in het oog springend onderdeel van ons drugbeleid is het gedoogbeleid voor coffeeshops.

Een “coffeeshop” is in Nederland een openlijk verkooppunt van cannabis. De verkoop van koffie is een bijzaak. Alcohol mag er sinds 2007 niet meer worden verkocht. Naast de functie van winkel heeft een coffeeshop ook de functie van ontmoetings- en ontspanningsruimte en gebruiksruimte voor cannabis.

(Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Coffeeshop

Ook het Openbaar Ministerie definieert "coffeeshops" als alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van cannabis plaatsvindt. Coffeeshops kunnen ook andere namen voeren, zoals reggaebar, koffiehuis, theehuis, shoarmahuis, sappenbar en dergelijke. Gekozen is voor de verzamelnaam coffeeshop, omdat die het meest is ingeburgerd.

Let wel, niet vanuit iedere coffeeshop wordt gehandeld in cannabis. Op Schiphol en bij diverse grote warenhuizen bijvoorbeeld treffen we “coffeeshops” aan, die niets met de handel in cannabis van doen hebben. Coffeeshop is dus geen synoniem voor cannabis.

Coffeeshops worden uitsluitend gedoogd indien de gemeente medewerking verleent aan een gedoogbeleid voor coffeeshops. Degene die een coffeeshop zonder voorafgaande toestemming van de gemeente vestigt, kan ook als hij de gedoogcriteria keurig naleeft strafrechtelijk worden vervolgd. De burgemeester kan een dergelijke coffeeshop bovendien gedwongen sluiten.

In een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 november 2000 (Zie www.rechtspraak.nl: LJN: AA8200, Hoge Raad , 01227/99) lezen we hierover:

3.5. De hier toepasselijke “Richtlijnen opsporings- en vervolgingsbeleid strafbare feiten Opiumwet” (Stcrt. 1996, nr. 187), hierna aan te duiden als de richtlijnen, luiden, voorzover nu van belang, als volgt:

"In de derde plaats is de richtlijn aangepast op het punt van de coffeeshops. (Behalve ...) is thans nadrukkelijker dan voorheen aangegeven dat het beleid met betrekking tot de coffeeshops wordt bepaald in het lokale driehoeksoverleg, uiteraard binnen de kaders van de richtlijn. Dat kan ook inhouden dat in een bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd. Als coffeeshops zich toch in de gemeente vestigen, kan het OM optreden, ook als de AHOJ-G criteria niet overtreden worden. Overigens is het niet zo dat de lokale nuloptie door optreden van het OM alleen gehandhaafd dient te worden.
(...)
In de inleiding is al opgemerkt dat in het lokale driehoeksoverleg kan worden afgesproken dat in een bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd.
Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten. In het kader van een in de lokale driehoek gezamenlijk uit te werken integraal beleid ten aanzien van coffeeshops, dient tot een evenwichtige inzet van de verschillende beheersinstrumenten te worden gekomen.
Een actieve rol vanuit het OM geeft het signaal dat justitie het belang van de aanpak onderschrijft, de bestuurlijke aanpak strafrechtelijk ondersteunt en haar eigen verantwoordelijkheid daarin neemt. (...)

Als de driehoek heeft gekozen voor de zogenoemde nuloptie, kan ook zonder overschrijding van bovenstaande criteria strafrechtelijk worden opgetreden tegen coffeeshops die zich toch in de gemeente vestigen. Het sluiten van een coffeeshop is voorbehouden aan het lokale bestuur”.

Anno 2009 schommelt het aantal gedoogde coffeeshops in Nederland rond de 700. Het gedoogbeleid is beperkt tot grof gezegd zo’n (klein) kwart van het aantal Nederlandse gemeenten. Met deze wetenschap is het onbegrijpelijk dat tegenwoordig steeds vaker wordt beweerd dat coffeeshops oorspronkelijk uitsluitend als lokale voorziening zouden zijn bedoeld. Nu slechts een klein kwart van de Nederlandse gemeenten een of meer coffeeshops gedoogt, is het overduidelijk dat veel coffeeshops van oudsher een regionale functie vervullen. Omdat in grensgebieden de regiofunctie niet eindigt bij de landsgrens is het niet meer dan logisch dat ook inwoners van ons omringende  EU-landen gebruik maken van de coffeeshop.

De gedoogcriteria voor coffeeshops (AHOJG-criteria)

De verkoop van cannabis is formeel in strijd met de wet. Toch is er landelijk voor gekozen niet op te treden tegen de verkoop van cannabis vanuit gedoogde coffeeshops. Voor de coffeeshophouder en zijn personeel gelden hierbij de AHOJG-criteria. Dat betekent dat slechts onder strikte voorwaarden de verkoop van cannabis in coffeeshops wordt gedoogd. Onder de navolgende voorwaarden zal in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd, niet strafrechtelijk worden opgetreden:

A geen affichering: dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;
H geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;
O geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshop, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;
J geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;
G geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder “transactie” wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper.

In de driehoek kan de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops worden vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De in de coffeeshop aanwezige voorraad cannabis mag in elk geval de 500 gram niet te boven gaan.
(Aanwijzing Opiumwet (2000A019), vindplaats: www.om.nl)

Terug naar top

Lokaal coffeeshopbeleid

In een ruime 100 Nederlandse gemeenten is een lokaal coffeeshopbeleid tot stand gekomen. Gewoonlijk  voorziet dit beleid in een maximum aantal coffeeshops, waarbij regulering plaatsvindt d.m.v. een (soort) vergunningenstelsel dat wordt gebaseerd op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In een dergelijk stelsel wordt door de burgemeester vergunning of verlof verleend om een alcoholvrije horeca-inrichting te exploiteren. Voor die alcoholvrije horeca-inrichting gelden dan niet alleen de verplichtingen op basis van de APV, maar ook de AHOJG-gedoogcriteria. Er zijn ook gemeenten die geen vergunningplicht kennen voor alcoholvrije horecabedrijven. In die gemeenten worden aan de exploitanten van gedoogde coffeeshops “gedoogverklaringen” door de burgemeester verleend.

Voor de verkoop van cannabis mag door de burgemeester geen vergunning worden verleend. Dit oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij herhaling. Ik citeer uit een uitspraak van 12 oktober 2000 (Zie www.rechtspraak.nl: LJN: AA8143, Raad van State , 200000585/1):

Vergunningstelsel Overlastverordening strijdig met Opiumwet; wel kan onder omstandigheden op grond van beleid een horecavergunning worden verleend voor inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. Verlenen exploitatievergunning onder voorschriften voor horeca-inrichting. In de inrichting worden softdrugs verkocht. Ingevolge art. 4.4 Overlastverordening dienen aanvragen die betrekking hebben op inrichtingen waar softdrugs worden verkocht, te voldoen aan de eisen gesteld in de Nota Drugsbeleid in Weert en de door de gemeenteraad aanvullend gestelde vestigingseisen.

Ingevolge art. 6.h Overlastverordening kan de vergunning worden geweigerd indien niet wordt voldaan aan genoemde eisen, voor zover het een inrichting betreft waar softdrugs worden verkocht. Met deze artt. heeft de gemeenteraad in feite een wettelijk vergunningstelsel in het leven geroepen op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een horeca-inrichting waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden. Een gemeentelijke regeling, zoals de Overlastverordening, mag evenwel niet in strijd met een hogere regeling - de Opiumwet - een handelen met vergunning toestaan, welk handelen in die hogere regeling expliciet is verboden. Artikelen missen verbindende kracht”.

Het vergunningstelsel dat in sommige gemeenten in het leven is geroepen, wordt onder andere gebruikt om inrichtingseisen en gedragseisen te stellen aan de exploitatie van een coffeeshop. Intrekking van de vergunning of het verlof kan dan leiden tot sluiting van de coffeeshop.

Terug naar top

Reclame en cannabis

Artikel 3b Opiumwet is eerder beschreven. Twee beleidscriteria gelden ten aanzien van artikel 3b Opiumwet:

  • Het is onwenselijk dat niet-gebruikers ongewild geconfronteerd worden met (reclame voor) drugs. Dit betekent dat de aanpak van aanbieders die actief het publiek benaderen, voorrang dient te hebben;

  • Gelet op het belang dat binnen het Nederlands drugbeleid wordt gehecht aan preventie geldt het vorenstaande  a  fortiori waar het gaat om reclame-uitingen die zich richten op kwetsbare groepen als jeugdigen. Gelet op het belang dat dient te worden gehecht aan de uitstraling van het nationaal opsporings- en vervolgingsbeleid over onze lands-grenzen heen, geldt dit tevens voor reclame die zich richt op buitenlandse toeristen die ons land bezoeken.

Strafrechtelijk optreden op grond van artikel 3b Opiumwet is in ieder geval mogelijk als er sprake is van:

  1. Het kenbaar maken van prijzen met verkooppunten door middel van elk medium (televisie, radio, kranten, Internet, reclameborden langs de weg, posters, folders, magazines, gidsen, tijdens manifestaties e.d.); meer dan slechts 'beurs-berichten'.

  2. Pseudo-medische of -wetenschappelijke voorlich-ting, mits kan worden aangetoond dat het in feite een openbaarmaking betreft, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs te bevorderen (bijvoorbeeld een in de vorm van 'voorlichtingsfolder' gegoten reclamefolder over softdrugs uitgegeven door en herleidbaar tot een coffeeshop).

  3. Overtreding van het afficheringsverbod voor gedoogde coffeeshops (reclame die meer inhoudt dat een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit); bijvoorbeeld een uithangbord of lichtbak aan de gevel of een poster op de ruit.
    De Hoge Raad heeft op 25 mei 2004 (Zie op www.rechtspraak.nl : LJN: AO6423, Hoge Raad , 02028/03) geoordeeld, dat het op het internet plaatsen van menu's en prijzen van in een nader aangeduide coffeeshop te verkrijgen cannabis een openbaarmaking is als bedoeld in artikel 3b, lid 1 van de Opiumwet. Aangezien dergelijke uitingen gericht zijn op de bevordering van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs en internet in deze tijd een voor een groot publiek toegankelijk middel vormt voor kennisneming van dergelijke uitingen, is hierbij sprake van een strafbare openbaarmaking.
De coffeeshophouder die in strijd met bovenstaande regels reclame maakt voor softdrugs riskeert niet alleen strafrechtelijk-, maar ook bestuursrechtelijk optreden. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat voor de coffeeshophouder ook het “Afficheringsverbod” geldt.

Terug naar top

Gedoogbeleid geldt niet voor winkels en verkoop via het internet

Het gedoogbeleid voor coffeeshops geldt, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins.

In een vonnis van de rechtbank te Den Haag van 10 juli 2008 (Zie www.rechtspraak.nl: LJN: BD7012, Rechtbank 's-Gravenhage , 09/754171-07) komt dit uitgangspunt duidelijk naar voren in het oordeel van de rechtbank.

Ik citeer uit het vonnis:

In de Aanwijzing Opiumwet van het OM staat in paragraaf 2.2.2. dat in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd en die zich houden aan de AHOGJ-criteria, niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. In dezelfde paragraaf staat dat dit, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet geldt voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins’.(3) Uit deze tekst blijkt duidelijk dat het niet is toegestaan softdrugs langs andere kanalen dan coffeeshops te verkopen.

Verdachte had dus kunnen begrijpen dat de verkoop via een online coffeeshop, die naar het oordeel van de rechtbank qua bedrijfsopzet vrijwel gelijk te stellen is met een postorderbedrijf, evenmin is toegestaan. Bovendien blijkt uit de tekst van de Aanwijzing dat verdachte zich had moeten informeren over het gemeentelijk gedoogbeleid in [P]. Als hij dat had gedaan, had hij kunnen weten dat ook het coffeeshopbeleid in [P] enkel betrekking heeft op fysieke coffeeshops en niet op online coffeeshops.

Achtergrond van die regeling is dat alleen bij fysieke coffeeshops de politie kan controleren of de verkoop uitsluitend meerderjarigen geschiedt en of de verkochte hoeveelheden en de handelsvoorraad binnen de toegestane grenzen blijven. Overigens is er in Nederland geen enkele gemeente die online coffeeshops toestaat”.

Terug naar top

Coffeeshops, bevoorrading en productie

Je zou denken dat bij het gedogen van coffeeshops lessen zijn geleerd uit de Nederlandse opiumpolitiek. Door de Nederlandse Staat is  in Nederlands Indië gewerkt met zogenoemde opiumkitten waarbij een maximumstelsel en een pachtstelsel golden. Er is zelfs ruime ervaring opgedaan met de productie van opium door de Nederlandse Staat. (Edwald Vanvugt, “Wettig opium”, In de Knipscheer, Haarlem, 1985). Deze ervaring heeft er niet toe geleid dat het gedoogbeleid voor coffeeshops logisch vorm is gegeven. Het coffeeshopbeleid kenmerkt zich door een gebrek aan logica. Roken van cannabis mag. Tegen het bezit van niet meer dan 5 gram cannabis wordt niet opgetreden evenals tegen het verkopen van dergelijke hoeveelheden in gedoogde coffeeshops. De productie van cannabis is verboden. Zelfs een kind begrijpt dat niemand melk kan verkopen of drinken zonder dat een koe wordt gemolken. Het gedoogbeleid is innerlijk tegenstrijdig. Tegen de teelt van hennep wordt streng opgetreden. Met de ene hand wordt gedoogd wat met de andere hand wordt bestreden.

De in september 1995 verschenen nota "Het Nederlandse Drugbeleid, continuïteit en verandering" (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, 24 077, nrs. 2–3) ligt aan de bases van ons huidige drugbeleid. Deze nota wordt ook wel de "Paarse Drugnota” genoemd. Aan het eind van deze nota wordt het gebrek aan logica in het drugbeleid door de beleidsmakers ronduit erkend.

Citaat: “op onderdelen bevat het voorgenomen beleid wellicht nog inconsistenties. Bedacht moet worden dat het drugbeleid geen oefening in de logica is maar in het binnen de geldende verdragsrechtelijke kaders beheersbaar houden van een hardnekkige en veelkoppige problematiek die onderhevig is aan de invloed van zich snel wijzigende maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in binnen- en buitenland”.

De verkoop van cannabis vanuit coffeeshops is slechts “toegestaan” als niet meer wordt verkocht dan een hoeveelheid die geacht wordt bestemd te zijn voor eigen gebruik, te weten maximaal 5 gram.

In beginsel wordt dezelfde grens gehanteerd ten aanzien van het bezit van softdrugs. Bij de ontdekking van maximaal 5 gram wordt politiesepot toegepast. Er volgt dan geen strafrechtelijke reactie, maar de politieambtenaar is wel bevoegd tot inbeslagneming.

Bij hoeveelheden tussen de 5 en de 30 gram softdrugs volgt bij ontdekking een strafrechtelijke reactie. In de regel wordt in die gevallen een geldboete opgelegd. Er vindt voor opsporing van deze feiten geen gerichte opsporing plaats. Hetgeen hiervoor is beschreven geldt uitsluitend ten aanzien van meerderjarigen (18 jaar en ouder)!

Het Openbaar Ministerie legt in haar beleid uit dat de toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten in het algemeen is gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen beschikbaarheid van mankracht. De grondslag van het gedoogbeleid voor coffeeshops ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. Het gaat hierbij dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit. Dat klinkt mooier dan het in de praktijk is. De bevoorrading van coffeeshops en het aanhouden van handelsvoorraden cannabis ten behoeve van coffeeshops leidt met regelmaat tot strafzaken.

Terug naar top

De achterdeurproblematiek

Aangezien de overheid niet gedoogt dat coffeeshophouders cannabis produceren en/of inkopen ten behoeve van de bevoorrading van hun coffeeshop betekent dit dat bij ontdekking van deze handelingen de Officier van Justitie in de praktijk strafvervolging instelt. Als de strafrechter vervolgens vaststelt dat de Opiumwet is overtreden, legt hij aan de dader (de coffeeshophouder en/of zijn personeelslid) een straf op. Het gaat dan immers om een niet gedoogde overtreding van de Opiumwet. Dit levert een paradoxale situatie op die wringt.

Aan de ene kant wordt de verkoop van cannabis gedoogd, maar aan de andere kant wordt de productie van cannabis en de bevoorrading van de coffeeshop niet mogelijk gemaakt. Deze problematiek, die in de loop der jaren al veel discussiestof heeft doen oplaaien, wordt gewoonlijk aangeduid als de achterdeurproblematiek.

In de beginjaren negentig leek aanvankelijk serieus te worden nagedacht over het legaliseren van cannabis. Toen in 1995 de “Paarse Drugnota” (“Het Nederlandse drugbeleid; continuïteit en verandering”) verscheen, woedde er een drugsruzie tussen Nederland en Frankrijk. President Chirac had de aanval op het in zijn ogen veel te liberale Nederlandse drugsbeleid hard ingezet. Dat had effect. Plannen voor verdergaande regulering van de coffeeshops verdwenen in de kast. Nederland maakte een pas op de plaats.
Op 20 juni 1998 werd op een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten georganiseerd symposium door de Stichting Drugsbeleid een plan ter regulering van de hennepteelt gepresenteerd. Het plan is als brochure uitgegeven onder de titel “Coffeeshop uit de schaduw”. (Zie: http://www.drugsbeleid.nl/nederlands/index.html)
Hiermee werd een politieke discussie over de zogenoemde achterdeur van de coffeeshop in gang gezet.

Tijdens het mondelinge vragenuur op 8 juni 1999 beloofde de Minister van Justitie de Tweede Kamer een notitie aan te bieden waarin zou worden ingegaan op de (on)mogelijkheid tot het houden van lokale experimenten met de zogenoemde achterdeur van coffeeshops.
Bij brief van 7 april 2000 bood de Minister van Justitie de notitie “het pad naar de achterdeur” aan de Tweede Kamer aan. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 24 077, nr. 75)Samenvattend luidde de conclusie van deze notitie, dat de regering niet voornemens was het geldende gedoogbeleid voor softdrugs te verruimen, door een opening te maken voor de legale teelt van nederwiet.

Op 27 juni 2000 werd met een meerderheid van één stem in de Tweede Kamer de motie-Apostolou cs aangenomen. In deze motie werd de regering opgedragen te bevorderen dat – in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de opiumwet – richtlijnen zouden worden ontwikkeld op basis waarvan de productie van nederwiet en de toelevering daarvan aan coffeeshops zou worden geregeld (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 24 077, nr. 78). De regering heeft geweigerd deze motie uit te voeren.

Daarmee was de politieke discussie rondom dit onderwerp nog niet ten einde.

Op 11 februari 2005 verscheen een artikel in het Nederlands Juristenblad van Mark Teurlings en Peter Cohen onder de titel “het regelen van de “achterdeur” van coffeeshops(NJB, afl. 6 blz. 298-302). Hierin werd betoogd dat het juridisch mogelijk is om de productie - en aanvoer van cannabis naar coffeeshops op legale wijze te regelen. De schrijvers erkenden dat een dergelijke regeling niet eenvoudig is, maar geruststellend merkten zij op dat daar waar een wil is langs internationaal en nationaal spoor een weg is te vinden.

Op 18 maart 2005 publiceerde het Dagblad de Limburger een bijdrage van de Maastrichtse burgemeester Gerd Leers waarin deze pleit voor regulering van teelt en handel van cannabis ten behoeve van coffeeshops. Leers kwam met dit onderwerp diverse malen in de publiciteit.

Hij zocht contact met burgemeesters van grensgemeenten in België en Duitsland en hield een lezing over dit onderwerp in Brussel. De achterdeur van de coffeeshop kwam hierdoor opnieuw op de (internationale) politieke agenda te staan.

Op 28 april 2005 heeft de Tweede Kamer twee moties aanvaard, van de leden Albayrak (PvdA) en Van der Ham (D66). In deze motie werd de regering onder andere verzocht nieuwe scenario’s te onderzoeken voor het oplossen van de “achterdeurproblematiek”.

De regering zou daarin de mogelijkheid dienen te betrekken om zogenoemde “BIGH LB-criteria” voor deugdelijke cannabistelers te ontwikkelen:

  • Boekhouding;
  • Informatie-verstrekking;
  • Geen bestrijdingsmiddelen;
  • alleen Hennepplanten verbouwen;
  • alleen Leveren aan coffeeshophouders en
  • deugdelijke Bedrijfsvoering.

Ook zou de regering de mogelijkheid van kleinschalige experimenten met regulering van de achterdeur van coffeeshops toe dienen te staan, zodat de voor- en nadelen hiervan in de praktijk zouden kunnen worden onderzocht. Opnieuw maakte de regering duidelijk niet mee te willen werken aan het reguleren van de hennepteelt ten behoeve van het coffeeshopbeleid. Wel zegde de regering toe dat er een studie zou plaatsvinden naar de juridische mogelijkheden voor het toestaan van een experiment zoals in de motie voorgesteld.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 24 077, nr. 170)

In december 2005 heeft het T.M.C. Asser Instituut geconcludeerd dat de twee onderzochte relevante VN-verdragen en het toepasselijke recht van de Europese Unie geen ruimte bieden voor het toestaan van de teelt van cannabis ten behoeve van de bevoorrading van coffeeshops. De toegestane teelt van cannabis is beperkt tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden. (De studie van het T.M.C. Asser Instituut is getiteld: Experimenteren met het Gedogen van de Teelt van Cannabis ten Behoeve van de Bevoorrading van Coffeeshops – Internationaal rechtelijke en Europees rechtelijke aspecten)

Het meest opvallende aan de gevoerde achterdeur discussies is dat daarbij telkens het accent is gelegd op het reguleren door middel van de gecontroleerde teelt van hennep. De tegenstanders van verdere regulering kunnen zich daardoor eenvoudig op het standpunt (blijven) stellen dat de internationale verdragen die Nederland als verdragspartij is aangegaan dit eenvoudigweg niet toestaan. Er wordt op deze wijze geen enkele stap voorwaarts geboekt.

Terug naar top

Tussendeur beleid

Enkele jaren geleden werd ik benaderd door een tweetal coffeeshophouders uit Rotterdam en Schiedam. Zij hadden contact gehad met een historicus, die hun vol enthousiasme had verteld over de Nederlandse Opiumpolitiek waarover ik in de inleiding heb gesproken. Zij waren geïnspireerd door een uitspraak van premier Balkenende die terug wilde naar de VOC-mentaliteit. Wil de premier dan misschien diep in zijn hart meer ruimte voor de aanleveringen van cannabis?, zo redeneerden zij. Vanuit die op de historie gebaseerde gedachte ontwikkelden zij de eerste ideeën over de “tusschendeur”. Ik heb dit idee uitgewerkt en van een juridische basis voorzien.

Tussendeur beleid kan naar mijn overtuiging op lokaal niveau in de driehoek (politie, justitie en gemeente) worden vastgesteld. Afgesproken kan worden dat tussendeur activiteiten geen aanleiding geven tot strafrechtelijk en bestuurlijk optreden. Het opportuniteitsbeginsel vormt voor de Officier van Justitie de wettelijke basis voor het vaststellen van dergelijke beleidsafspraken. Het criterium voor het achterwege blijven van optreden, is door de Centrale Raad van Beroep gegeven en kan eenvoudig worden overgenomen.
Personeelsleden van een illegale hennepteler beschikken volgens de Centrale Raad van Beroep niet over een rechtsgeldige arbeidsoverkomst. (Zie de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2002, AB 2002/206). In dat geval kan geen premieplicht worden aangenomen. Een personeelslid van een coffeeshop dat cannabis vervoert naar de coffeeshop of deze cannabis buiten de coffeeshop verkoopklaar maakt door deze te versnijden en te verpakken handelt in strijd met de Opiumwet en kan geen beroep doen op enig gedoogbeleid. Kan met deze wetenschap dan nog wel sprake zijn van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst? Ja, oordeelde de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2004 (LJN: AQ6684).
Hierbij overwoog de hoogste bestuursrechter:

  1. dat de beschreven handelingen onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in coffeeshops en
  2. dat deze handelingen onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop.

Dit is een uiterst logische en juridisch verantwoorde redenering, waarvoor veel valt te zeggen. De coffeeshophouder en zijn personeel worden immers dagelijks in een onmogelijke spagaat gedwongen. Om de gedoogde handelingen in de coffeeshop te kunnen verrichten, moeten zij buiten de coffeeshop een inbreuk maken op de Opiumwet. Het beleid schiet in dit opzicht duidelijk tekort. De Centrale Raad van Beroep loste dit hiaat eenvoudig op.

De politie kan van de driehoek een aanwijzing krijgen om ontdekte handelingen die onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in coffeeshops en die onmiskenbaar ook worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop in samenspraak met de Officier van Justitie te seponeren.

De burgemeester is op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang bij bepaalde overtredingen van de Opiumwet. Deze bevoegdheid is uitgebreid tot iedere lokaliteit (waaronder woningen). Als daarin een handelsvoorraad cannabis, die bestemd is voor de bevoorrading van een coffeeshop, wordt aangetroffen kan sluiting volgen. Artikel 13b van de Opiumwet vormt voor de burgemeester de wettelijke basis voor het vaststellen van handhavingsbeleid in het geval de aangetroffen voorraad bedoeld is voor een gedoogde coffeeshop. De burgemeester kan hierbij vooraf formuleren in welke gevallen en onder welke voorwaarden geen bestuursdwang wordt toegepast.

De juridische argumenten die bij herhaling zijn aangevoerd om experimenten aan de achterdeur te blokkeren gaan hier niet op. De regulering van de tussendeur dient een openbare orde belang en vergroot de transparantie van de coffeeshopbranche. Het voorgestelde beleid heeft geen nadelige invloed op het buitenland, omdat er voor wat betreft de gedoogde verkoop van cannabis niets verandert aan het coffeeshopbeleid. Het voorgestelde beleid neemt slechts een storende inconsistentie weg.

Bij de nadere invulling van dit beleid kunnen heldere voorwaarden worden gesteld. De beschreven handelingen moeten onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in de coffeeshops en deze handelingen moeten onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop.

De strafbare handelingen die aan de tussendeur plaatsvinden en die onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop zijn:

* het inkopen van cannabis;
* het vervoeren van ingekochte cannabis;
* het bewaren van cannabis;
* het verkoopklaar maken van cannabis;
* het vervoeren van verkoopklaar gemaakte cannabis naar de coffeeshop;
* het na sluiting van de coffeeshop vervoeren van cannabis vanuit de coffeeshop;

Het is voor de continuïteit van de coffeeshopbranche van belang dat een coffeeshophouder in kwantitatief en kwalitatief opzicht telkens over voldoende cannabis beschikt. Bij het ontbreken van handelsvoorraad ontstaat stagnatie bij de verkoop van cannabis.
Dat geeft aanleiding tot zwerfgedrag van klanten wat in het belang van de openbare orde en de volksgezondheid moet worden voorkomen. Met de beleidsafspraak die ik voor ogen heb, wordt dus een gerechtvaardigd hoger doel gediend.

Dat de genoemde strafbare handelingen onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van de verkoop van cannabis vanuit een coffeeshop waarvoor vergunning is verleend kan als volgt blijken c.q. worden gecontroleerd:

* de handeling is verricht door de eigenaar van een vergunninghoudende coffeeshop of door iemand die aantoonbaar werkzaam is voor een dergelijke coffeeshop;
* uit de administratie van de coffeeshop blijkt dat de handelingen onlosmakelijk zijn verbonden aan een gedoogde coffeeshop;
* de inkoop van cannabis en/of de voorraad cannabis is volledig geadministreerd in de bedrijfsadministratie van de coffeeshop;
* er is sprake van een redelijke verhouding tussen de aangetroffen hoeveelheid cannabis en de geboekte omzet in de coffeeshop.

In dit kader kan aan de belastingdienst als convenantpartner een toezichthoudende taak worden toebedeeld. Het is bij uitstek de belastingdienst die kan beoordelen of een voorraad cannabis op correcte wijze in de boekhouding is verantwoord en of deze in redelijke verhouding tot de gedoogde verkoop van cannabis staat. Deze afstemming vergroot de transparantie van de coffeeshop, zodat de integriteit van de coffeeshophouder nog beter kan worden beoordeeld.

De tussendeur variant is niet onopgemerkt gebleven. In het rapport van de Adviescommissie Drugsbeleid (getiteld: “geen deuren, maar daden”) lezen we op pagina 45:

Omdat de aanvoer van cannabis naar de coffeeshop illegaal is, staan de eigenaar en de medewerkers in beginsel onder dreiging van strafrechtelijke vervolging als ze cannabis ophalen en naar de shop brengen. De ‘tussendeurvariant’ houdt in dat
bepaald wordt dat deze mensen gevrijwaard blijven van strafvervolging indien het evident is dat zij handelen binnen de gestelde voorwaarden voor het functioneren van de shop en slechts met het doel om binnen die grenzen de coffeeshop te laten functioneren. Dit sluit aan op de bestaande praktijk – maar ook hier geldt dat explicitering geboden is mede in het kader van sterkere inzet van het strafrecht”.

Terug naar top

Coffeeshops en belasting

Coffeeshophouders dienen over de bij de handel in cannabis behaalde winst Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen dan wel Vennootschapsbelasting af te dragen. De winst bestaat uit de verkopen van cannabis minus de inkopen van cannabis en de aannemelijk gemaakte bedrijfskosten.

In de zomer van 2004 werd in de media veel aandacht besteed aan de wijze waarop de belastingdienst en andere overheidsinstanties omgingen met zogenoemde “vrijplaatsen”. Op woonwagencentrum de Vinkenslag te Maastricht bleek door de belastingdienst een afwijkend heffingstarief te zijn toegepast en dat kon volgens de politiek niet door de beugel. Het kabinet reageerde met de inmiddels bekende daadkracht. Er werd een plan opgesteld waarmee een einde moest worden gemaakt aan de bijzondere behandeling van vrijplaatsen. Contra legem handelingen (d.w.z. handelen tegen de formele wet in) zijn sindsdien uit den boze. Ik citeer het kabinet: “het gedogen van vrijplaatsen is niet meer van deze tijd. Dit kabinet wil meer in het algemeen een einde maken aan gedogen”. 

Volgens de belastingdienst kenmerken vrijplaatsen zich door:
* het stelselmatig weigeren om een administratie te voeren;
* door gebruik van intimidatie en geweld;
* door het buiten het zicht van de fiscus houden van activiteiten en verhaalsobjecten.

Omdat in de praktijk bleek dat de belastingdienst bij de aanpak van vrijplaatsen niet altijd kon rekenen op de steun van de politie zou dit op vrijplaatsen hebben geleid tot een zekere terughoudendheid bij het heffen en innen van belastingen. Integrale samenwerking met onder andere politie en justitie en een duidelijke en structurele aanpak zouden hierin verandering moeten brengen.

Ondanks het feit dat de toenmalige Staatssecretaris Wijn erkende dat “bij coffeeshops sprake is van regulier heffings – en invorderingsbeleid” is de coffeeshopbranche in verband gebracht met de hiervoor genoemde terughoudendheid en is kennelijk ook de coffeeshop in de ogen van de belastingdienst aan te merken als een soort vrijplaats. Met een werkinstructie en draaiboek op zak zijn de ambtenaren van de belastingdienst op pad gestuurd om orde op zaken te stellen bij de coffeeshops.

Door het hele land worden coffeeshops door de belastingdienst bezocht en wordt informatie verstrekt over de eisen, die ingevolge artikel 52 AWR worden gesteld aan de administratie. Vaker worden in dit kader aan coffeeshophouders lijsten ter beschikking gesteld waarop per soort en gewicht gespecificeerd wordt aangegeven met hoeveel beginvoorraad cannabis de werkdag in de coffeeshop begint, hoeveel van welke soorten in de loop van de dag is bijgevuld en wat er aan het einde van de dag gespecificeerd aan voorraad is overgebleven. Door per soort en per gram de prijzen te vermelden, kan aan de hand van deze lijsten op dagniveau worden berekend wat er is verkocht en wat dit heeft opgebracht. Door deze lijsten te hanteren kan een aansluiting tussen de kasbeweging en de voorraadbeweging worden gemaakt. Indien de cannabis niet voorverpakt wordt verkocht, kan aan de hand van deze lijsten per dag ook het weeg-, snij- en gewichtsverlies worden vastgesteld.

Veel coffeeshophouders voelen weerstand bij het gebruik van dergelijke lijsten, omdat zij hiermee exact vastleggen hoeveel cannabis er per dag door hun wordt verkocht (en dus ook bijgevuld). Dat is begrijpelijk omdat het Openbaar Ministerie soms onverwacht keihard strafrechtelijk optreedt tegen aanleveringen van cannabis naar de coffeeshop.

Feit is echter dat de belastingrechter zich vrijwel niets aantrekt van de strafrechtelijke positie van de belastingplichtige. Dat komt mede doordat ook misdaadgelden normaal worden belast.
De belastingheffing verloopt als het op innen aankomt “amoreel”. Deze lijn wordt – zoals zo meteen zal blijken - niet doorgezet als we te maken hebben met kosten die verband houden met het plegen van misdrijven.

De belastingdienst blijkt zeer geïnteresseerd in de “achter- c.q. tussendeur” van de coffeeshop. Belastingambtenaren willen aan de hand van een voorraadadministratie in staat zijn om ook buiten de coffeeshop een aansluiting te maken tussen de inkoopadministratie, kasadministratie en voorraadadministratie. Kasgeldbewegingen en goederenbewegingen lenen zich bij uitstek voor het ontdekken van (structurele) boekfouten. Vreemd genoeg is de belastingdienst verplicht om melding te maken van overschrijding van gedoogde voorraden cannabis. Hiertoe heeft de belastingdienst convenanten gesloten met andere overheidsdiensten. Het gaat bij deze verplichte melding niet alleen om de feitelijk vastgestelde voorraad cannabis in de coffeeshop of daarbuiten, maar ook om de boekhoudkundige voorraad cannabis. (Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 192, nr. 39)

Zeer grof gezegd zien we in de dagelijkse coffeeshoppraktijk twee werkwijzen. Te weten:

  • De coffeeshophouder koopt kilo’s in, registreert betaling en levering ervan in zijn kas-, inkoop- en voorraadadministratie en boekt afzonderlijk de bijkomende kosten zoals bijvoorbeeld de kosten van een koerier en stashkosten.

  • De coffeeshophouder beschikt over een (of meer) vaste leverancier(s) die hem op afroep bevoorraden. De coffeeshophouder heeft buiten zijn coffeeshop geen voorraad, zodat de eerder besproken daglijsten feitelijk zijn complete (primaire) administratie vormen.
Terug naar top

Aftrekbeperking kosten die verband houden met misdrijven

De coffeeshophouder die voor eigen rekening en risico handelsvoorraden aanhoudt en hiervoor door een strafrechter onherroepelijk wordt veroordeeld, kan geen aanspraak (meer) maken op kostenaftrek. Kosten die verband houden met een dergelijk misdrijf worden van aftrek uitgesloten. (Dit kan met terugwerkende kracht tot maximaal 5 jaar.) Praktisch betekent dit een financiële strop voor de coffeeshophouder.

Indien een coffeeshophouder de gedoogcriteria overschrijdt kan hij wegens overtreding van de Opiumwet worden veroordeeld. Indien de overtreding een misdrijf betreft (> 30 gram) komen de kosten die verband houden met het misdrijf niet voor aftrek in aanmerking. Een voorbeeld. Indien bij een coffeeshophouder een voorraad van 1 kilo cannabis wordt aangetroffen en hij hiervoor wordt veroordeeld (of een schikking met de Officier van Justitie treft), kan de belastingdienst de inkoopkosten van deze kilo cannabis binnen een periode van vijf jaren bij de winst optellen. Deze mogelijkheid bestaat sedert 1 januari 1997 in de Wet op de Inkomstenbelasting.

Terug naar top

Belastingrechtspraak

Belastingzaken zijn zeer feitelijk van aard. De belastingdienst zal in beginsel proberen om de bewijslast om te keren (verzwaren van bewijslast), zodat de coffeeshophouder dient te bewijzen dat de door hem ingediende aangifte juist is. Praktisch gezien is dat een onmogelijke taak, zodat degene die in een procedure door de belastingrechter met het bewijs wordt belast zich in een bijzonder slechte rechtspositie bevindt.

Ik noem een zaak die zich heeft afgespeeld in Amsterdam en waarbij de belastingdienst geanonimiseerde complete jaarstukken van coffeeshops in een bepaald postcodegebied had ingebracht. Aan de hand van deze jaarstukken werd door de belastingdienst onderbouwd dat de brutowinstmarges zich gemiddeld rond de 100% bewegen (dat wil zeggen dat de inkoop 1 x over de kop gaat). In die zaak stelde de rechter vast dat de voorraadadministratie en de inkoopadministratie ernstige gebreken vertoonden, zodat de coffeeshophouder met het (tegen)bewijs werd belast. Tot die vaststelling kon de belastingrechter in deze zaak overigens komen, omdat de politie buiten de coffeeshop een voorraad cannabis had aangetroffen, die aanzienlijk meer bedroeg dan de in administratie van de coffeeshophouder verwerkte voorraad. (Zie rechtsoverweging 2.5 van de uitspraak in eerste aanleg.)

De procesgang in deze zaak geeft een beeld van de belastingrechtspraak en kan worden gevolgd door raadpleging van de uitspraken op www.rechtspraak.nl:

Eerste aanleg:
LJN: AZ1497, Rechtbank Haarlem , 05/3341 d.d. 31 oktober 2006.

Hoger beroep:
LJN: BD1844, Gerechtshof Amsterdam , 06/00553, 23 januari 2008.

Cassatie:
LJN: BH3321, Hoge Raad , 08/00928, 20 februari 2009.

Terug naar top

Coffeeshops en Omzetbelasting (BTW)

Coffeeshophouders zijn over de leveringen van cannabis geen BTW verschuldigd aan de belastingdienst. Over binnen de gehele Europese Unie absoluut verboden zaken (vals geld en drugs) is de heffing van BTW op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen namelijk niet toegestaan. De gedachte hierachter is dat de handel in absoluut verboden zaken - zoals illegale verdovende middelen en vals geld - uitsluitend aanleiding geven tot het opleggen van straffen en om die reden worden geacht volledig buiten het economische verkeer te vallen.

Over de dranken en spijzen die vanuit coffeeshops worden verkocht, heft de belastingdienst over de verkoopprijs 6% BTW. Bij de verkoop van vloei en filtertips zelfs 19% BTW. 

Bij de toepassing van de BTW wetgeving mochten coffeeshophouders de BTW die zij aan andere ondernemers betaalden volledig aftrekken. Gelet op de verhouding tussen de handel in cannabis (ongeveer 90%) en overige handel (10%) kregen coffeeshophouders in de regel iedere maand of kwartaal BTW terug. Aan die situatie is sinds januari 2007 een einde gekomen tengevolge van een wijziging van artikel 15, lid 1 van de wet op de Omzetbelasting 1968. Sinds 1 januari 2007 is de betaalde BTW nog slechts in zeer beperkte mate (naar rato) aftrekbaar.

Terug naar top