|
|
Naast de bestuursrechtelijke bevoegdheden blijven daarnaast de bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden bestaan. Indien in een coffeeshop de gedoogregels niet worden nageleefd is de burgemeester bevoegd de coffeeshop (tijdelijk) te sluiten. Als de burgemeester een bestuurlijke maatregel treft (sluiting) is de politie desondanks bevoegd om strafrechtelijk op te treden tegen de vastgestelde overtreding van de Opiumwet. Bijvoorbeeld door middel van aanhouding van degene die de Opiumwet heeft overtreden en de inbeslagneming van de cannabis. De Officier van Justitie kan de wetsovertreder voor de strafrechter dagen, zodat deze – indien hij schuldig wordt bevonden - wordt bestraft voor overtreding van de Opiumwet. De coffeeshophouder voelt dit in de regel als een "dubbele straf". Niet alleen wordt zijn zaak (voor bepaalde tijd) gesloten, maar hij wordt ook nog eens veroordeeld en is vaak zijn handelsvoorraad door de inbeslagneming kwijt.
- Binnentreden ter inbeslagneming
- Aanhouding gevolgd door verhoor
- Inverzekeringstelling
- Toetsing van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris
- Inverzekeringstelling en advocaat
- Voorlopige hechtenis
- Overlevering op basis van een Europees Aanhoudingsbevel
Binnentreden ter inbeslagneming
Artikel 9 van de Opiumwet bevat een ruime bevoegdheid tot binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner. Artikel 9 Opiumwet geeft de opsporingsambtenaren de bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot de plaatsen waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat zodanige overtreding wordt gepleegd. Op grond van deze algemene betredingsbevoegdheid mogen de opsporingsambtenaren zich niet alleen toegang tot het verdachte pand verschaffen, maar mogen zij zich ook doorgang en toegang verschaffen tot die ruimten in het pand, waar de overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat deze wordt gepleegd. Artikel 9 van de Opiumwet geeft geen bevoegdheid tot het doorzoeken van een woning. Doorzoeking is meer dan “zoekend rondkijken”. Denk hierbij aan het openen van kasten en lades.
De Hoge Raad heeft op 25 mei 2004 (LJN: AO6419, Hoge Raad , 01992/03.) uitgelegd wat niet onder doorzoeking wordt verstaan.
Citaat:
“Zoekend rondkijken en inbeslagneming in woning. Het door forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de daarin aanwezige ruimten verkrijgen, en daar vervolgens hennepplanten in beslag nemen die daar zijn aangetroffen door zoekend rondkijken, is geen doorzoeking. De duur van het verblijf in de woning (4 uren) vindt zijn verklaring in de inbeslagneming van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur”.
Voor het betreden van een woning op grond van de Opiumwet dient de opsporingsambtenaar te beschikken over:
- uitdrukkelijke toestemming van de bewoner;
- Een schriftelijke machtiging tot binnentreden afgegeven door een (hulp)officier van justitie.
Door het geven van uitdrukkelijke toestemming tot het betreden van zijn woning doet de bewoner feitelijk afstand van zijn recht. In een eventuele strafzaak zal de strafrechter er dan in de regel van uitgaan dat de woning rechtmatig is betreden.
Het is met deze wetenschap vanuit juridisch opzicht niet verstandig om opsporingsambtenaren desgevraagd vrijwillig toestemming te verlenen tot het betreden van een woning voor het verrichten van een onderzoek ter zake van de Opiumwet.
Aanhouding gevolgd door verhoor
Aanhouden is het “aan de verdachte ontnemen van diens vrijheid teneinde hem te geleiden naar een plaats van onderzoek”. Degene die de Opiumwet overtreedt wordt in de praktijk door de politie aangehouden en ten spoedigste afgevoerd naar een bureau van politie. Op grond van verdragsregels dient de politie de aangehouden verdachte duidelijk te informeren over de reden van zijn aanhouding.
De verdachte wordt door de politie verhoord. Een verdachte kan maximaal gedurende zes uren worden opgehouden voor verhoor. Onder verhoor wordt verstaan alle vragen die de opsporingsambtenaar aan de verdachte stelt betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. Het vragen van de personalia van de verdachte valt niet onder het verhoor. Voorafgaand aan het verhoor wordt door de opsporingsambtenaar aan de verdachte duidelijk gemaakt dat deze niet tot antwoorden is verplicht. Dat wil zeggen dat op de verdachte geen enkele plicht rust om vragen van de politie te beantwoorden.
Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft de verdachte voorafgaand aan het verhoor het recht een advocaat te consulteren.
Vaker word ik gebeld met de vraag: “ik moet mij melden bij de politie voor het afleggen van een verklaring. Wat moet ik dan zeggen?“. Het antwoord is standaard: “u moet niks. U mag verklaren, maar bent daartoe niet verplicht”. Vele verdachten voelen zich in een verhoor volstrekt ten onrechte min of meer gedwongen om vragen te beantwoorden.
In NRC Handelsblad van 31 oktober 2008 is een artikel geplaatst met de titel: ”Altijd zwijgen - meer toga-tv uit de VS”. Ik citeer uit deze krant:
“Dat een college rechtsgeleerdheid spannend en onderhoudend kan zijn laat de snel sprekende professor James Duane zien van Regent University School of Law School in Virginia.
Hij legt uit waarom de burger altijd en op àlle vragen van de politie moet zwijgen. Niets wat je zegt kan ooit in je voordeel zijn. Zelfs het meest onschuldige antwoord kan justitie al helpen om op de zitting iedere burger erals een leugenaar te laten uitzien. Duane is een voormalige strafpleiter die zeer overtuigend is. Het is een opname tijdens een college; daarna volgt een politieman die zijn perspectief uitlegt. Ook niet slecht.
Dit college is ook te volgen voor niet-juristen. Duane’s voordracht duurt een half uur, maar is iedere minuut waard”.
http://weblogs.nrc.nl/weblog/uitspraak/2008/10/31/altijd-zwijgen-meer-toga-tv-uit-de-vs/
De (hulp)officier van justitie kan bepalen dat de verdachte langer op het bureau moet blijven dan de zes uur voor verhoor. Hij wordt dan in verzekering gesteld. Inverzekeringstelling kan plaatsvinden indien:
- Het voor het onderzoek nodig is dat de verdachte langer op het bureau blijft voor verhoor;
- De beslissing tot inverzekeringstelling is genomen door de hulpofficier van justitie
- Hij de verdachte voor hij die beslissing nam heeft verhoord;
- Het feit waarvan de verdachte wordt verdacht volgens de wet voorlopige hechtenis toestaat (bijvoorbeeld een drugsdelict).
Toetsing van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris
Uiterlijk 3 dagen en 15 uur na de aanhouding wordt de verdachte naar de Rechter-commissaris gebracht en door hem gehoord. De rechter-commissaris is een onafhankelijke rechter die werkt voor de rechtbank. Hij bepaalt of de inverzekeringstelling terecht heeft plaatsgevonden.
Inverzekeringstelling en advocaat
Na de inverzekeringstelling wordt een advocaat aangewezen die de verdachte gratis rechtsbijstand zal verlenen. Dit is een onafhankelijke advocaat die op dat moment dienst (piket) heeft. De politie neemt contact met de advocaat op. De verdachte kan ook zelf een advocaat kiezen. In bepaalde gevallen zal ook de door de verdachte gekozen advocaat kosteloos rechtsbijstand verlenen. Dit is afhankelijk van uw inkomen en vermogen. De verdachte doet er goed aan hierover in het eerste gesprek met de advocaat te spreken.
Na de inverzekeringstelling kan de Officier van Justitie bij de Rechter-commissaris van rechtbank de bewaring vorderen van de verdachte. Hiervoor moet een grond bestaan. In Opiumwetzaken kan dat gaan om bijvoorbeeld een “onderzoeksgrond” of het “gevaar voor herhaling”. Het bevel bewaring geldt voor een duur van maximaal 14 dagen. De verdachte die in bewaring wordt gesteld wordt overgebracht van de politiecel naar een huis van bewaring.
Als na afloop van de bewaring voortduring van de voorlopige hechtenis is vereist kan de Officier van Justitie bij de raadkamer van de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte vorderen. De gevangenhouding kent een duur van maximaal 90 dagen.
Overlevering op basis van een Europees Aanhoudingsbevel
Sinds 12 mei 2004 geldt de Overleveringswet in de verhouding met de lidstaten van de Europese Unie. Overlevering van een Nederlander (Of daarmee gelijk te stellen vreemdeling.) is hierdoor in de rechtspraktijk nog eenvoudiger geworden. De huidige praktijk inzake de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel verloopt in vogelvlucht geschetst als volgt.
De opgeëiste en gesignaleerde persoon wordt door de Nederlandse politie aangehouden. Na zijn inverzekeringstelling volgt binnen de gebruikelijke termijn de voorgeleiding bij de Rechter-Commissaris van de rechtbank te Amsterdam. Deze stelt de opgeëiste persoon in bewaring. De rechtbank te Amsterdam geeft, na ommekomst van de termijn voor bewaring, op vordering een bevel gevangenhouding af. Als de rechtbank haar oordeel over de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering uitspreekt, wordt de opgeëiste persoon vervolgens feitelijk (fysiek) (Zie art. 35, eerste lid Overleveringswet) aan de opeisende staat overgeleverd.
Aan Nederlandse zijde is de zaak hiermee voorlopig afgedaan, terwijl deze voor de overgeleverde persoon dan pas begint. De aan het buitenland overgeleverde verdachte verdwijnt namelijk, in afwachting van zijn berechting, vaak langere tijd achter slot en grendel. Detentie in het buitenland is vanwege onder andere taal – en cultuurproblemen meestal uiterst bezwarend voor de verdachte en zijn naaste familieleden.
In Nederland geldt ten aanzien van cannabisdelicten een relatief mild strafklimaat. De gevangenisstraf die in Nederland in cannabiszaken kan worden opgelegd bedraagt sinds juli 2006 maximaal 8 jaar. (Dit zonder rekening te houden met het bepaalde in artikel 57, lid 2 van het Wetboek van strafrecht.)In het ons omringende buitenland liggen de maximale gevangenisstraffen gewoonlijk aanzienlijk hoger. De Nederlandse autoriteiten leveren een Nederlander slechts met terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Overleveringswet over. Een in het buitenland opgelegde gevangenisstraf wordt in die gevallen, met toepassing van artikel 11 van het Verdrag Overbrenging Gevonniste Personen, na overlevering omgezet. Deze omzetting komt in cannabiszaken in de praktijk vaker neer op een (forse) verlaging van de door de buitenlandse strafrechter opgelegde gevangenisstraf.